Andy Warhol: Mao

De kleuren van deze Mao vind ik eigenlijk ook erg mooi.


De Amerikaanse kunstschilder, graficus, fotograaf en filmer Andy Warhol
was een veelzijdige popart kunstenaar.
Zijn roem, die hij zelf zorgvuldig cultiveerde,
kwam niet alleen voort uit zijn werk maar ook uit zijn levensstijl.

Hij werd onder de naam Andrew Warhola in Forest City,
Pennysilvania, als zoon van de mijnwerker en bouwvakker Ondrej Warhola geboren.
Zijn vader was in 1912 uit Tsjechoslowakije naar de V.S. geemigreerd,
zijn vrouw volgde hem negen jaar later.
Andrew heeft een oudere en een jongere broer.

Na een ziekte van drie jaar sterft zijn vader 1n 1942.

1945-1949
Warhol volgde een opleiding tot grafisch ontwerper
aan het Carnegie Institute of Technology te Pittsburgh, als werkstudent.
Hij studeerde picturaal ontwerpen, kunstgeschiedenis, sociologie en psychologie.

In 1949 nadat hij afgestudeerd is verhuisde hij samen met Philip Perlstein
naar New york welke nieuwe omgeving hem inspireert
tot een naamsverandering in Andy Warhol
en begint te werken als reclameontwerper en illustrator.
Hij werkt als reclametekenaar voor Vogue en Harper’s Bazaar,
maakt zijn eerste reclames voor de gerenommeerde schoenfirma I. Miller
en etalagedecoraties voor het warenhuis Bonwit Teller.

Ondanks zijn verlegenheid kende hij al snel succes.
Zijn specialiteit, schoenen tekenen maakte dat hij kon werken
voor de meest prestigieuze warenhuizen van het exclusieve New York.

1952 : Eerste solo-expositie in de Hugo Gallery, New York.

1953-1955 : Deelname aan een theatergroep in ‘off-off-Broadway’- stijl
waarvoor hij decors ontwerpt.

Hij verft zijn haar stroblond, waarmee hij zich het tot aan zijn dood
wereldberoemde imago aanmeet.
Met zijn moeder en meerdere katten betrekt hij een woning op Lexington Avenue.

1954 : Groepstentoonstelling in de Loft Gallery, New York.

1956 : Solo-expositie van zijn tekeningen voor het ‘Boybook’
in de Bodley Gallery.
Tentoonstelling van de ‘Golden Shoes’ in de Madison Avenue.

Hij maakt een wereldreis, waarbij vooral Florence
grote indruk op hem maakt.
Neemt met tekeningen deel aan de groepstentoonstelling
‘Recent Drawings USA’ in het Museum of Modern Art, New York.
Hij krijgt een prijs voor zijn Miller-schoenreclame,
de ‘Thirty Fifth Annual Art Director’s Club Award.’

1957 : Hij krijgt een andere prestigieuze prijs voor reclameontwerpen,
de ‘Art Director’s Club Medal.’

In 1960 maakte hij een serie schilderijen op basis van kranten,
handelsmerken en stripverhaalfragmenten.
Hij fotografeerde de beelden die hij had uitgekozen,
projecteerde ze op linnen en kleurde ze vervolgens met de hand in.
Helaas wou geen enkele beroemde galerie zijn werk hebben,
dit ondanks het feit dat de popbeeldtaal steeds vaker in de beeldende kunst opdook.

In 1962 begon zijn loopbaan vorm aan te nemen toen hij zeefdrukken
van dollarbiljetten, Campbell-soepblikken en Coca Cola-flesjes exposeerde.
Onder invloed van de ‘ready-mades’ van Duchamp
introduceerde Warhol alledaagse consumentenproducten in zijn kunstwerken.

Zijn werk werd opgenomen in de expositie The New Realists
van de Sidney Janis Gallery in New York.
Ook begon hij met zijn series Rampen: Car Crash, Suicide en Electric Chair.

Zijn tentoonstelling in New york in 1962 sloeg in als een bom.
Warhol kon zich nu iets meer veroorloven
en richtte een nieuwe studio in (The Factory).
In de jaren die volgden omringde Warhol zich
met een schare van medewerkers en bewonderaars.
De groep kwam steeds bijeen in zijn studio The Factory.
In dit atelier in een fabrieksruimte ontstonden de underground films,
kwamen de foto-series en zeefdrukken tot stand,
werd het tijdschrift ‘Interview’ uitgegeven
en de rockband ‘Velvet Underground’ opgericht
en vonden de happenings en multimedia-voorstellingen plaats.

The Silver Factory, een donkere ruimte van driehonderd vierkante meter
met metalen kolommen en een muntjestelefoon,
muren beplakt met aluminiumfolie, een zilverkleurige vloer
en prominent in het midden the Couch, een brede driezitsbank gehuld in plastic.
Het oude fabrieksgebouw hartje New York was niet alleen
het middelpunt van Warhols werkzaamheden.
De studio annex discotheek groeide in de jaren zestig uit
tot een ontmoetingsplaats voor radicalen, loosers,
misnoegde miljonairsdochters, pooiers en verslaafden.
En Warhol gebruikte ze.
Warhols naaste medewerker herinnerde zich:
‘Andy kon ervoor zorgen dat anderen zich belangrijk voelden.
Hij omringde zich met mensen die zelf geen identiteit hadden.
En hij vond ze omdat hij ze nodig had.’

Van 1962 tot 1964 vervaardigde hij in zijn Factory
meer dan 2000 werken.
Met behulp van de zeefdruktechniek onstonden
grote series werken waarbij de onderwerpkeuze bestond uit sterren,
zoals Marilyn Monroe en Elvis Presley
of controversiele thema’s (ongelukken, electrische stoel).
Andy Warhol gebruikte veelal bestaande foto’s,
die hij al manipulerend dikwijls talloze keren op het doek vermenigvuldigde.
Warhol verhief de no-hands look van de zeefdruktechniek tot kunst,
en logenstrafte daarmee de filosofie van Walter Benjamin,
die in de jaren dertig had geschreven dat de moderne reproductietechnieken
de waarde van kunst zouden uithollen.
Niet bij Warhol.
Hoe onpersoonlijker zijn werk was, hoe beter bij het vond.

In 1963 maakte hij de films Sleep en Empire, die respectievelijk 6 en 8 uur duurden.

In 1964 exposeerde Galerie Sonnabend in Parijs zijn Flower Pictures.

Om politieke redenen werd Warhol gedwongen
de Thirteen Most Wanted Men op de muur van het New York State Pavilion
van de wereldtentoonstelling in New York over te schilderen.

Hij maakte zijn eerste sculpturen met zijdezeefdrukken van verpakkingen.

In 1965 exposeerde hij in het Institute of Contemporary Art in Philadelphia.

In April 1966 maakte Warhol zijn entree in de wereld van de rockmuziek.
Hij stond aan de wieg van de Velvet Underground
en regiseerde het eerste optreden van de band
in de multimediashow Exploding Plastic Inevitable.
In 1965 ontvangt Andy Warhol in zijn Factory een vrouw,
die zichzelf Nico noemt.
Wanneer hij hoort dat Nico (1938-1988) muziek componeert en zingt,
zorgt hij ervoor dat zij de zangeres wordt van The Velvet Underground,
een band die hoort bij de scene van The Factory.
Aanvankelijk zijn de mannelijke rocksterren,
waaronder Lou Reed en John Cale,
niet zo enthousiast, bang om niet meer de belangrijkste leden van de band te zijn.
Ze staan er dan ook op dat de band The Velvet Underground and Nico gaat heten.

Andy Warhol maakt een film van de band.
Nico’s hese stemgeluid en haar uiterlijk worden beroemd.
Haar tegendraadse houding maakt haar tot een rebelse vrouw.
Sommigen vinden dat Nico niet kan zingen en
Warhol beschrijft haar stem als ‘een IBM-computer met een Greta Garbo-accent’.
Iets romantischer heeft hij ook wel van haar stem gezegd
dat deze ‘een fragiele levenslijn door een onbeschrijflijk turbulent verleden’ weergeeft.
Nico heeft meer dan twintig platen gemaakt.

Zijn Cow Wallpaper en Silver Pillows werden in de Leo Castelli Gallery geexposeerd.

In 1968 wijdde het Moderna Museet in Stockholm een expositie aan zijn werk.

Massaproductie paste precies bij zijn wens eens behoorlijk te verdienen.
Alleen al van zijn bekende Mao-portret liet hij ruim driehonderd versies drukken.
De verschillen in kleur, met hier en daar een extra abstract expressionistische verfstreek
over de voorstelling, waren alleen maar bedoeld
om de klanten tevreden te stellen.
‘Eigenlijk wil ik liever een eenvoudige zeefdruk van een gezicht maken,’
gaf hij toe, ‘maar de mensen verlangen steeds iets anders.’
Met zijn portret-opdrachten van en voor welgestelden
probeerde hij het gat in de begroting,
ontstaan door de productie van zijn slecht verkopende films,
te dichten.
Van een hang-out voor drop-outs veranderde ‘The Factory
eind jaren zestig, inmiddels verhuisd naar 33 Union Square West,
in een efficient, uiterst commercieel bedrijf.

Dat de kassa eind jaren zestig eindelijk begon te rinkelen
had ook nog een andere oorzaak.
Halverwege de jaren zestig liepen de spanningen in The Factory
steeds verder op.
Warhol kwam afspraken niet na,
betaalde zijn assistenten nauwelijks of helemaal niet,
en speelde ze tegen elkaar uit.
Hij was de spil maar ook de grote manipulator,
een kruising tussen Dracula en Cinderella,
wat hem onder het personeel de bijnaam ‘Drella’ opleverde.
Een van de gedupeerden van Warhols machtsspelletjes was Valerie Solanis.
In 1967 was de radicale feministe doorgedrongen tot zijn hofhouding.
Solanis, oprichtster en enig lid van de Society for Cut Up Men (SCUM),
speelde een rolletje in een van Warhols films.
Ze schreef een script, Up Your Ass,
dat Warhol veel te bizar vond en in de chaos van het atelier kwijtraakte,
hoewel hij tegenover Solanis bleef beweren
het script voor verfilming in overweging te nemen.
Gefrustreerd door Warhols minachting verscheen Solanis op 3 juni 1968
met twee revolvers aan het bureau waar Warhol zat te telefoneren.
Ze schoot hem van dichtbij neer.
Later zou ze tegenover de politie verklaren dat ze Warhol wilde vermoorden,
‘omdat hij te veel controle had over mijn leven’.

Maar zelfs na dit incident drong de realiteit niet tot Warhol door:
‘Voordat ik werd neergeschoten, dacht ik altijd dat ik televisie keek
in plaats van het echte leven te leven.
Iedereen zegt dat films onwerkelijk zijn,
maar het is juist het leven dat onwerkelijk is.
Ook op het moment dat ik getroffen werd
wist ik dat ik naar de televisie keek.
De zender was veranderd, maar het bleef tele– visie.
Na de aanslag is alles als een droom voor mij.’

Warhol overleefde de aanslag maar net
(in het ziekenhuis werd hij klinisch dood verklaard),
had enkele maanden nodig om te herstellen,
maar was wel op slag een ster.
En die bekendheid werd snel uitgebuit.
Een van de eerste beslissingen die na de aanslag werden genomen
was om de prijs van Warhols werk drastisch te verhogen.
Zeefdrukken die vroeger voor tweehonderd dollar de deur uit gingen,
werden na 1968 voor vijftienduizend dollar of meer verkocht.
In 1970 zou een van Warhols soepblikken op een veiling
zeventigduizend dollar opleveren.
Het was op dat moment het duurste kunstwerk van een nog levende Amerikaanse kunstenaar.

Legendarisch zijn de interviews met Warhol,
waarop hij met een glazige blik voor zich uit staart,
en op zowat iedere vraag antwoordt met: ‘Oh… ub… well… yeah… eh, do you think so?’
Meer hoefde hij eigenlijk ook niet te zeggen.
Warhol was in de jaren zeventig uitgegroeid tot een zwijgend mirakel.
De kunstenaar die in 1928 als Tjechoslowaaks vluchtelingenkind
onder de naam Andrew Warhola in Pittsburgh geboren werd,
op zesjarige leeftijd handtekeningen van Mickey Rooney
en Shirley Temple had verzameld,
en Truman Capote zolang met brieven had bestookt dat diens moeder (!)
hem had gesommeerd daarmee op te houden,
was nu zelf het middelpunt geworden van celebrity-aandacht.

Het verbazingwekkende is dat ondanks de nieuwe weelde
Warhols werk nauwelijks veranderde.
Naast zijn portretten van the rich and famous,
bleef hij zeefdrukken maken van schoenen, Superman en Mickey Mouse.
Ook zijn sombere onderwerpskeuze van voor 1968 bleef gehandhaafd.

In 1968 verscheen zijn roman ‘a’, die bestond uit in de Factory
opgenomen telefoongesprekken.
Hij maakte zijn eerste bioscoopfilm, Flash, met Paul Morissey,
in 1970 gevolgd door Trash

In 1969 verscheen het tijdschrift Interview, dat Warhol had helpen opzetten.

Tussen 1969 en 1972 maakte Andy Warhol vooral portretten in opdrachten.

In 1972 exposeerde hij in het Kunstmuseum van Basel.

Halverwege de jaren zeventig maakte hij prachtige series
van schedels, schaduwen en revolvers.
Hij liet zijn nieuwe onderkomen goed beveiligen,
en onverwacht bezoek op het atelier maakte hem nerveus.

In 1975 werd de eerste editie van The Philosophy of Andy Warhol
(From A to B and Back Again) uitgegeven.

In 1976 organiseerde de Wurttembergischer Kunstverein
de expositie The Graphic Work – 1942-1975,
die ook in Dusseldorf, Bremen, Munchen, Berlijn en Wenen werd gehouden.

In 1978 exposeerde hij in het Kunsthaus in Zurich
en in het Louisiana Museum in Humlebaek.

Na de zeventiger jaren vervaardigde Andy Warhol
lange series op een bepaald thema, zoals ‘Empire’ en ‘Camouflages’.

Als laatste serie ontstaan in 1986 de portretten van Lenin en de Zelfportretten.

Op 58-jarige leeftijd op 22 februari 1987 overleed de kunstenaar
aan de gevolgen van een galblaasoperatie.

Het personeel van The Factory vroeg zich vaak af
of de stoet van onaangepasten, die nog dagelijks over de drempel kwam,
niet moest worden tegengehouden.
Ook Warhol had zijn twijfels:
‘Ik was bang dat ik zonder al die gekke, gedrogeerde mensen
mijn creativiteit zou verliezen.
Zij waren mijn totale inspiratie sinds 1964.
Ik wist niet of ik zonder hen iets zou betekenen.’
Warhol besefte dat niet alleen zij afhankelijk waren van hem,
maar dat ook hij afhankelijk was van hen.
Tekenend voor deze wederzijdse afhankelijkheid
was de herdenkingsdienst, anderhalve maand na het overlijden van Warhol,
op 22 februari 1987.
Voor deze dienst in de St. Patrick’s Cathedral waren,
op verzoek van Warhol, vijfhonderd ‘hongerige daklozen
uit New York’ uitgenodigd.
Ze zouden als eregasten worden behandeld en kregen na afloop
een copieuze maaltijd voorgezet.
Warhol had zich als een van hen beschouwd.
In het verleden had hij tijdens feestdagen voor ze koffie geschonken,
eten geserveerd en de keuken schoongemaakt.

Het motto van Warhol (en daarmee van Popart) was:
alles kan tot kunstwerk verheven worden,
als het maar bekend is bij het grote publiek.
De Pop Art-kunstenaars haalden hun inspiratie vooral uit de consumptiemaatschappij:
strips, advertenties, massaproducten en beroemde sterren
waren hun geliefde onderwerpen.
Bestaande voorwerpen en afbeeldingen werden vaak veranderd door vergroting,
herhaling, extra verflagen, andere kleuren zodat het kunstvoorwerpen werden.

Warhol ontwikkelde de zeefdruktechniek, een reproductietechniek.
Hij koos een bekend triviaal onderwerp (een coca cola blikje bijvoorbeeld)
en liet dat door zijn assistenten uitvoeren.
De persoonlijke toets van de kunstenaar was niet meer belangrijk.
Warhol hield van herhaling, van massaproductie, hij zei
zelf wel een machine te willen zijn.
Met de popart zien we de totale nivellering door vermenigvuldiging,
inhoudsloosheid door reproduceerbaarheid.
Verder wil hij zichzelf losmaken van het scheppen van het schilderij,
om het afzonderlijk leven daarvan
als een soort geheimzinnig ontstaan voorwerp te benadrukken.

‘Ik heb geprobeerd schilderijen met de hand te maken,’
vertelde Warhol in 1968, ‘maar met de zeefdruktechniek
gaat het een stuk eenvoudiger.
Een van mijn assistenten, of wie dan ook,
kan het ontwerp even goed reproduceren als ik.’

Veel van zijn werk liet Warhol aan anderen over:
de organisatie, de financien en het zeefdrukken.
Al in zijn vroegste reclametekeningen liet hij zijn moeder
de onderschriften schrijven.
Er werden zelfs hele series door assistenten gedrukt.
Alleen de handtekening was van de kunstenaar zelf.
Kopers die dat achteraf te horen kregen waren not amused.
Toch paste deze werkwijze geheel in het onpersoonlijke,
mechanische uiterlijk van zijn werk.
Originaliteit en het idee van de kunstenaar
als een eenzaam genie op de Olympus waren hem vreemd.

Herhaling zat Warhol in zijn bloed.
Hij kon een hele middag naar hetzelfde plaatje luisteren.
Twintig jaar lang zou hij bij zijn moeder dezelfde soep eten, Campbell’s.
Hij zag zichzelf als een machine,
waarvan de producten niets met de maker van doen hadden.
Door de repetitie van handelingen en technieken
wilde hij het beeld inhoudloos en ‘leeg’ maken.
En in zekere zin democratisch.
‘Het fantastische van Amerika is dat de rijkste consument
dezelfde dingen kan kopen als de armste,’ schreef hij in 1975.
‘Je zit voor de televisie en je ziet een Coca-Cola-reclame
en je weet dat de president coke drinkt, Liz Taylor coke drinkt,
en – stel je voor – ook jij coke kunt drinken.’
Zonder enig hierarchisch onderscheid of verder commentaar
gaf hij een beeld van de Amerikaanse maatschappij,
varierend van Marilyn Monroe, Jackie Kennedy
tot afbeeldingen van de elektrische stoel, verkeersongevallen en dollarbilietten.
Het was hem allemaal om het even.
De dingen moesten voor zichzelf spreken.
En de beste manier om dat te doen,
was door ze plompverloren en recht voor z’n raap in beeld te brengen.
Het vreemde was dat daardoor het werk juist herkenbaar werd.
Warhol groeide uit tot de kunstenaar van de polaroidfoto’s,
de droog nageschilderde Cambell’s soepblikken
en de uren durende films waarin niets gebeurde.

Wie of wat Warhol zelf was, daarover deed hij geen uitspraken.
Hij zag zichzelf als een acteur die een rol speelde
of een mannequin die in een fotosessie figureerde.
‘Als u alles over Andy Warhol wilt weten,
hoeft u alleen naar het uiterlijk van mijn beelden, mijn films
en mijn persoon te kijken: dat ben ik.
Daarachter zit niets verstopt.’
Tegelijkertijd hield hij alle krantenartikelen bij
om een idee te krijgen hoe anderen over hem dachten.
Het ging hem om het beeld, het imago.
Reden waarom hij zich in de jaren zestig restylede
met een nauwsluitende zwarte broek, zwart leren jack,
puntige boots, zonnebril en een zilverwitte pruik
die paste bij het aluminiumkleurige interieur van The Factory.
Hij wilde herkend worden, beroemd,
en stelde daarvoor alles en iedereen in zijn dienst.

Iedere gebeurtenis kon een aanleiding zijn voor nieuw werk,
waarmee hij weer meer in de belangstelling zou komen.
Zoals de zelfmoord van Freddie Hecko, een balletdanser
die enkele jaren tot het vaste interieur van The Factory behoorde.
Toen Warhol van de gebeurtenis hoorde
verwonderde hij zich waarom Hecko niets van zijn plan had laten horen,
‘dan hadden we ernaar toe kunnen gaan om het te filmen’.
Die reactie werd hem in het New Yorkse kunstcircuit
niet in dank afgenomen, maar typeerde Warhol ten voeten uit.
Warhol wilde met zijn soepblikken, Brillo Boxen, films
en portretten een realistisch beeld geven van de werkelijkheid,
maar de werkelijkheid zelf liet hem koud.

http://www.kunstbus.nl