Gisteren heb ik wat foto’s gemaakt van onder andere het Begijnhofin Breda.De tekst die ik hierbij plaats komt van de web site van het gemeente archief.Ik heb de verwijzingen naar archiefstukken verwijderd.Hier en daar een typefout aangepast.De oude foto’s komen van de web site van het Breda’s museum.
Een foto van de begijnen gemaakt in 1966.Het ontstaan van begijnhoven in de Nederlanden.In de 12e eeuw ontstaat een beweging van religieuze vernieuwing,die zich niet beperkt tot de geestelijkheid,maar ook onder de leken een grote weerklank vindt.Religieuze idealen als vrijwillige armoede en kuisheidstaan bij deze beweging centraal.Nieuwe kloosterorden ontstaan.In de 12e eeuw ontstaat bijvoorbeeld de orde van Premonstratenzersook wel genoemd Norbertijnen of Norbertinessen.Dicht bij Breda is hier een voorbeeld van te vinden.Zo kwam er in Antwerpen in 1124 het norbertijnenklooster Sint Michiels.Dit was aanvankelijk een dubbelklooster voor zowel mannen als vrouwen.Er zijn sterke aanwijzingen dat de vrouwentak in 1271 opgingin het door de heren van Breda gestichte Norbertinessenklooster Catharinadal.Dit was eerst in Wouw gevestigd, later ging dit klooster naar Breda.In de 13e eeuw kwamen de bedelorden van Dominicanen en Franciscanen op.
Vooral veel vrouwen voelden zich aangetrokken tot de nieuwe idealen.Voor een deel konden deze vrouwen opgevangen wordenin de nieuwe kloosters, voor een ander deel bleven zij een gewoon leven leidenin de wereld.Zij kunnen namelijk niet allemaal opgenomen worden in de kloosters,want de ene kloosterorde na de andere gaat zich verzettentegen opname van vrouwenkloosters in de orde.Het stichten van vrouwenkloosters stagneert daardoor.De vrouwen die geen onderdak in een klooster kunnen vinden,of misschien zelfs niet eens willen, worden begijnen genoemd.Zij leven individueel of in groepjes.Een meer permanent karakter krijgt de begijnenbewegingals er instellingen voor begijnen ontstaan,de begijnhuizen en begijnhoven.Deze instellingen worden in de Nederlanden voor het eerst vermeldin het tweede kwart van de 13e eeuw.De begijnhoven werden vaak gesticht door een landsheer,een geestelijke of een rijke burger.In 1240 stichtte een Gerardus de Werpa een hof te Antwerpen.De begijnen die eerst in de omgeving van het hospitaal Klapdorp woonden,kregen daarmee een definitieve huisvesting.De begijnen van Brussel kregen in 1251 van de bisschoptoestemming op een hof te wonen.Een centrale plaats binnen de nieuwe hovennamen de hospitalen of ‘infirmeriexc3xabn’ in.De infirmerie was bestemd voor de huisvesting van arme en zieke begijnen.Later werden soms ook vrouwen van buiten toegelaten in de infirmerie.Voor een bepaald bedrag konden deze opgenomen worden in de infirmerie.Direct gekoppeld aan de infirmerie was een kapel.De stichting van een beneficie of altaar in de kapelwerd gebruikt om een eigen priester te kunnen aanstellen.In Gent werd in het jaar 1235 een kapelanie gestichtop het begijnhof door Johanna van Constantinopel.Reeds een jaar later werd er een priester benoemd.Het hofje in Antwerpen kreeg in 1245 een eigen priester.Breda past goed in het patroon van de andere hoven.Het werd gesticht in 1267 door de heer van Breda.In de stichtingsakte wordt een kapel met kerkhof nadrukkelijk genoemd.Een infirmerie wordt in de stukken pas genoemd op 18 juli 1343.Het is dus onduidelijk of er van het begin af aaneen infirmerie op het hof was.
Het Begijnhof wordt op dit moment gerenoveerd.Stichting van het Bredase hofjeAl voor 2 maart 1267 woonden er begijnen te Breda.In dat jaar gaf heer Hendrik van Breda de grondwaarop ze woonden aan hen in volle eigendom.Ze kregen bovendien toestemming op die grond een kapelmet kerkhof te stichten.De grond die de begijnen toen in eigendom kregenlag tussen het kasteel van de heer en de stad.Het hof lag net buiten de toenmalige stadsmuren.In een akte uit 1296 wordt gezegd dat het hof tegen Breda aanlag (xe2x80x98apud Bredaxe2x80x99)Of heer Hendrik of zijn voorganger Godfriedde begijnen naar Breda heeft gehaald, is niet zo duidelijk.Bij deze schenking moet eerder aan Godfried IVgedacht worden dan aan zijn zoon Hendrik.De gift paste geheel in Godfrieds overdaad aan schenkingen,gedaan op zijn sterfbed in Schoten;een welwillendheid die zijn erfgenamen sterk zou verarmen. Verbrokkeling domeinDe royale schenking van grond aan de Caterstrate wasin het licht van wat de gevolgen warenraadselachtig en amper in zijn welbegrepen eigenbelang.Hij dreef door die schenking immers een wigtussen het centrum van zijn domein en de bijbehorende bedrijfsruimten.Vermoedelijk, omdat hij niet in Breda resideerde,had hij wat minder oog voor de moeilijkheden,die een dergelijke verbrokkeling van het domeinop die plaats met zich mee konden brengen.Zeker na de aanleg van een stadswal in diezelfde periodebleef hem slechts een smalle corridor als verbindingtussen zijn castellum en zijn agrarisch centrum,dat voortaan achter het begijnhof in de hovinge Valckenberge lag.Begijnen geven percelen in cijns uitOfschoon het geschonken land aan de Caterstrate lag,hebben de begijnen zich van die straat afgewenddoor een brede strook grond erlangs in erfcijns aan poorters uit te geven.Daarachter lieten ze de beghinengracht graven als afscheiding van hun hof.De opbrengst van die uitgifte was mede bestemdvoor het onderhoud van de begijnen.Uit de cijnsregisters van het begijnhof uit 1400 en 1427 blijkt– in combinatie met de gegevens verkregen uit de vestbrieven xe2x80x93dan ook dat de begijnen cijnzen hieven van een aaneengesloten reeks percelen,gelegen ten zuiden van hun hof aan de Caterstrateen aan wat later heette het Kasteelplein.Waar het begijnhof ophield en het gebied van de heer begon,was herencijns verplicht.De scheiding tussen beide cijnsblokken was messcherp.BeghinenstrateDe uitgifte van percelen langs de Caterstratehad wel tot gevolg, dat de ingang van het begijnhofkwam te liggen aan de Beghinenstrate.Of zij die ‘zijstraat’ hebben aangelegd of dat daar al een weg liepnaar de burcht, kan alleen door archeologisch onderzoek worden aangetoond.De straatnamen Beghinenstrate en Borchtstrate komen pas voorin bronnen uit de veertiende en vijftiende eeuw.Meer dan drie jaar later bevestigt de bisschop van Luikhet recht van de begijnen om een kapel met kerkhof op te richten.Er is dan sprake van de xe2x80x98novella congregatio beginarumxe2x80x99(nieuwe begijnencongregatie) wat er op wijstdat het hof nog niet lang bestond.De begijnen hebben het recht een eigen kapelaan te hebben.Voor de kapelaan en het kerkhof moeten wel de bestaande rechtenvan de parochiekerk gerespecteerd worden.De kapel moet spoedig zijn opgeleverd, want in 1291is er al sprake van een kapel gewijd aan de heilige Catharina op het begijnhof.Vier jaar later jaar verleent het bidom Luik een aflaatvan 40 dagen aan hen, die op verschillende kerkelijke feestdagende kapel bezoeken.Een aflaat zorgde ervoor dat de persoon een bepaalde tijdkorter in het vagevuur zou moeten doorbrengen na zijn dood.Een aflaat zou
het bezoek aan de kapel bevorderenen hiermee zorgen voor een regelmatige inkomstenstroom van giften van bezoekers.KetterijenKort daarna breekt er een moeilijke periode aan voor de begijnhoven in heel Europa.In 1311 worden de begijnen verdacht van ketterse sympathiexc3xabn en veroordeeld.De bisschop van Luik blijft de Bredase begijnen steunen.In 1326 verleent hij hen nog eens een extra aflaatvoor bezoekers aan hun kapel.Vier jaar later, in 1330, pleit de bisschop van Luikhen definitief vrij van ketterse sympathiexc3xabn na een grondig onderzoek. Een eigen kapelaan en begraafplaatsDe relatie tussen begijnhof en parochiekerk was bij de stichtingniet duidelijk geregeld.De bisschop van Luik had in 1270 de begijnen het recht gegevenop een eigen kapelaan en een begraafplaats.Daarbij was duidelijk gezegd dat zij de rechtenvan de parochiekerk van Breda moesten respecteren.Pas in 1343 keurde het kapittel een reeds bestaande overeenkomsttussen begijnhof en pastoor goed.Deze regeling hield in dat het hof als vergoedingvoor het laten begraven van begijnen en anderen op het hofaan de pastoor jaarlijks 9 groten betaalde.De begijnen kregen het recht zelf een kapelaan te kiezenvoor hun geestelijke zorg.Al eerder, in 1301, had een Engelbrecht van den Eindeeen altaar gesticht in de kapel van de begijnhof.Met de inkomsten van dit altaar kon een kapelaan betaald worden.Het kapittel van Breda had het recht een kapelaanaan dit altaar te benoemen.Uit een latere bron weten we dat de inkomsten van het altaar20 veertelen rogge bedroegen en 7 gulden.
Datum van de foto is bij mij onbekend.Huizen op oude hofIn het jaar 1480 bevatte het hof 16 huizenbewoond door 37 personen.Omstreeks 1500 breidde het begijnhof uit met een nieuwe poorten enige daaraan grenzende woningen.Ook de rekeningen bevatten vele posten dieop grote bouwactiviteit wijzen in deze periode.Er werd onder andere een nieuwe kerk gebouwd.In 1526 telde het Begijnhof 22 huizen.Verplaatsing in 1527Graaf Hendrik III van Nassau (1504-1538) maakte grootse plannenom zijn kasteel uit te breiden en te maken tot een echt renaissancepaleis.Voor de uitvoering moest het begijnhof, dat voor tegen de burcht aan lag,verplaatst worden.Reeds in 1527 vonden er onderhandelingen plaats tussen de graaf en de begijnen.Er werd besloten het hof te verplaatsen naar het oostelijke deelvan het Valkenberg, de plaats waar het zich nu nog bevindt.De stadsbrand van 1534 die grote delen van Breda verwoestte,heeft waarschijnlijk het nieuwe hof niet geraakt.Reeds in juli 1535 verhuisden de eerste begijnen.De bestaande Wendelinuskapel ging functioneren als eigen kerk. Graaf Hendrik van Nassau liet een muur bouwen van de gesloopte stadsmurentot aan de Catharinastraat.Deze muur werd gebouwd met de stenen die waren vrijgekomenvan de sloop van het ‘huys Valckenberg’.Het restant van dit materiaal mochten de begijnen gebruikenvoor de bouw van hun huizen.Voor de bouw van zeven huisjes stelde graaf Hendrik 300 Rijnse guldens beschikbaar.Het metselwerk duurde meer dan 15 weken.Er moesten voor 23 begijnen huizen gebouwd worden.In 1536 werd al begonnen met de aanleg van een tuinen een bleekveld.De begijnenhuisjes waren oorspronkelijk eenlaags.In elk huisje was plaats voor twee begijnen.Een huis bestond uit een woonkeuken met stookplaats,een kelder met tongewelf en een opkamer met stookplaats.Pas in de 18e eeuw zijn de huisjes met een verdieping verhoogd.Waarschijnlijk is dit perceelsgewijze gebeurd,wat de verticale bouwnaden in de voorgevels verklaart. De ingang van het Begijnhof lag aanvankelijk in het Valkenberg,daar waar nu de westmuur een sprong buitenwaarts maakt.Rechts van de poort sloot een noordzuidwaartse muurop de traptoren van de Wendelinuskapel aan.In 1544 lieten de meesteressen van het hof drie huisjes bouwenvoor die Valkenbergse poort en tegenover de westgevel van de Wendelinuskapel,op een rijtje van noord naar zuid.In 1574 kwam de hoofdpoort aan de Catharinastraat te liggen.De oude poort werd een ondergeschikte zijpoort.Rechts van de nieuwe ingang kwam de pastorie te liggen. 
Beeld van begijntjes in de kruidentuin.De hervormingDe Beeldenstorm (1566) en de eerste periode van de opstand (tot 1590)zijn de begijnen zonder veel schade doorgekomen.Bij de Spaanse furie van Haultepenne (1581) kon plunderingtegen de kapitale som van 500 Rijnse guldens worden afgekocht.Eerst toen in 1590 Breda door middel van de list met het turfschipdoor prins Maurits was veroverd kwamen er moeilijkheden.De Wendelinuskapel kwam in protestante handenen werd omgedoopt tot Waalse kerk.Charles de Hxc3xa9raugixc3xa8re, de aanvoerder van de manschappen in het turfschipen door prins Maurits benoemd tot gouverneur van Breda,werd buurman van het begijnhof .Ondanks de bescherming van Maurits heeft hij de begijnennogal wat last bezorgd Tussen 1590 en 1625 werd op het Begijnhof wel nu en dan de mis gelezen.Waarschijnlijk gebeurde dit in de infirmerie (de ziekenzaal).Tijdens het Spaanse tussenbewind (1625-1637) werdde Wendelinuskapel weer begijnenkerk.Ook na de herovering door Frederik Hendrik bleef dit zo. Pas na de Vrede van Munster (1648),gevolgd door het plakkaat van 16 juni 1648,waarbij aan alle katholieke geestelijken het verblijf in Staats-Brabant werd verbodenen alle katholieke kerken en kapellen gesloten werden verklaard,maakte een einde aan deze situatie.Op 13 juli werd de begijnenkerk gereformeerd.Op 3 januari 1649 vernieuwde prins Willem II de sauvegarde voor het Begijnhof.Hij bepaalde tevens dat de toegang van de Waalse kerknaar het Begijnhof moest worden dichtgemetseld en vervangendoor een nieuwe ingang aan de straat voor de Waalse kerk. Dit betekende een definitieve scheiding tussen Wendelinuskapel en hof.De begijnen richtten daarom drie woningendie tegen de Wendelinuskapel aangebouwd warenzo goed mogelijk in als kapel.Een van deze woningen fungeerde voor deze tijd als infirmerie.Deze drie huizen werden van hoge ramen voorzien.In deze noodkerk werden tot 1838 de godsdienstoefeningen gehouden.
Schets van de noodkerk met hoge ramen.Exc3xa9n van de zorgen in de 17e eeuw was het onderhoud van de pastoor.Voordien had het hof geen eigen op het hof wonende pastoor.De diensten werden toen verricht door de kapelaans van de beneficies,die echter vaak ‘pastoor’ genoemd werden.Doch de sauvegardes verleend door de heren van Nassau,waarbij alle bewoners waren inbegrepen,hadden tot het begrijpelijke gevolg dat de dienstdoende priesterzich op het Begijnhof kwam vestigen om veiliger te zijnvoor de maatregelen van het Staatse bewind.In de eerste tijd verzorgde de Franciscaan Petrus Jeghers echter ookde geestelijke belangen van de katholieken in de stad.De meesteressen vonden dit blijkbaar ongewenst.Zij trachtten de inkomsten van de beneficies bijeen te voegenvoor het onderhoud van een eigen begijnenpastoor.En met succes.Hun eerste afzonderlijke pastoor was Nicolaus van Milst (1674-1706),die ook
als volksdichter van stichtelijke poxc3xabzie bekendheid heeft verworven. In de 18e eeuw werd een ernstige poging gedaanom het begijnhof te laten verdwijnen.Op 12 maart 1731 werd een plakkaat uitgevaardigd,waarbij o.a. werd bepaald dat er geen novicen mochten worden aangenomen.Een hernieuwing van dit verbod volgde nog in 1732.Pas in 1747, toen weer een Oranje als stadhouder was aangesteld, werden de pogingen om opheffing van het verbod te krijgenmet succes bekroond.Franse periodeOnder het bestuur van de Republiek genoten de Bredase begijnenhet voorrecht dat zij haar gebruikelijke kleding ongehinderd mochten blijven dragen.Doch toen na de omwenteling de Representanten van Bataafs Brabanthet dragen van geestelijke ordeskleding verboden,verklaarde de municipaliteit dat dit verbod ook van toepassingmoest worden geacht voor de begijnen.In 1798 gaf toen Adrianus Oomen, xc3xa9xc3xa9n der vicarissen van het bisdom Antwerpen,toestemming aan de begijnen zich buiten het begijnhof zodanig te kledendat er geen verdere moeilijkheden met de burgerlijke overheidmeer konden ontstaan.Deze toestemming werd in 1814 ingetrokken.19e eeuwIn de 19e euw beleefde het Begijnhof een laatste opbloei.Een opvallend symptoom daarvan was de vernieuwde bouwactiviteit.Tussen 1836 en 1838 werd onder toezicht van de Rijkswaterstaatachter op het hof de St. Catharinakerk gebouwd.In 1850 volgde, naast de huidige pastorie, die in 1886 en 1911 nog werd uitgebreid.Tussen 1860 en 1863 werd de laatste grote verandering aangebracht.Toen werd het zogenaamde ‘buitenhof’ gebouwd,bestaande uit negen nieuwe huisjes.20e eeuwDe Bredase begijnengemeenschap is nu uitgestorven.Een laatste poging om nieuwe leden aan te trekken dateert van omstreeks 1930.De bedoeling was jonge meisjes aan te trekkendie zich verdienstelijk zouden maken in de gezinszorg.Dit werd echter geen succes.Na de tweede wereldoorlog is besloten geen novicen meer aan te nemen. In 1966 waren er nog elf begijnen op het Bredase begijnhof.De laatste overste, A.M.A. Holtzer overleed in 1972.
MeesteressenHet begijnhof stond rechtstreeks onder de bisschop.De bisschop moest de statuten formeel goedkeuren,kon een visitatiebezoek houdenen hij moest de keuze van de meesteres bevestigen. In het begin van het ontstaan is er sprake van xc3xa9xc3xa9n meesteres.Vanaf de 14e eeuw is er meestal sprake van twee meesteressen.De meesteressen werden ieder jaar gekozen door de begijnen.In de 17e eeuw werd het aantal weer teruggebracht naar xc3xa9xc3xa9n,gekozen voor een periode van drie jaar. In 1781 ging de verkiezing als volgt in zijn werk:op 19 april verkondigde de pastoor van de begijnendat er de volgende dag om 10 uur een verkiezing zou plaats vinden.Die dag kwamen de begijnen na de mis samen in de zaal, galerij genaamd.De twee oudste zusters mochten eerst ieder twee stemmen uitbrengen.Hierna maakte de bisschoppelijke afgevaardigde in de kerk bekenddat zuster Catharina Turbiez gekozen was tot meesteres.
Foto uit 1920 met daarop een Meesteres of Moeder Overste: Maria Jansen.De begijnenVolgens de statuten opgesteld op 4 december 1516moest een vrouw of meisje die begijn wilde wordenaan de volgende voorwaarden voldoen:van de goede naam en ongehuwdze moest een jaarlijks inkomen hebben van minstens 16 lopen roggeminimum leeftijd 13 jaarDe bewoonsters van het hof moesten,behalve na opname in de infirmerie, zelf in hun inkomen voorzien.Uit de literatuur zijn voor begijnen de volgende inkomstenbronnen bekend:textielnijverheid, kosterstaken, ziekenzorg, onderwijsen bidden voor de overledenen.In Breda zijn aanwijzingenvoor deze verschillende inkomstenbronnen terug te vinden.Textiel:uit de statuten, opgesteld 3 april 1510,blijkt dat de begijnen vroeger een inkomen hadden uit het noppen.Noppen van laken is het herstellen van weeffoutjesen het verwijderen van steentjes en strootjes.In de tijd dat deze statuten opgesteld werdenwas het noppen in onbruik geraakt (‘dwelc nu uter ghewoonten is’).In 1510 was het maken van kussens populairder geworden als broodwinning.In de statuten werd bepaald dat personen van buiten het hofniet mochten assisteren bij dit werk.Als argument wordt gegeven dat de omgang met wereldlijke personende begijnen maar op verkeerde gedachten zou brengen.Het is echter ook bekend dat ambachtsgilden de activiteitenop de hoven scherp in de gaten hielden.Begjinen hoefden geen belasting te betalenen vormden zo oneerlijke concurrentie.KosterstakenUit een rekening van het Bredase kapittel,opgesteld in 1489, blijkt dat een ‘Janneken der baghyn’alle kleden die bij het koor en het altaar van de Grote kerk hoordengewassen had.Ze had dit gedaan tussen kerstmis en St. Jan (24 juni)en ontving voor haar werk een vergoeding van 2 Rijnse gulden.Het jaar daarop kreeg ze voor hetzelfde werk 30 stuivers.Het jaar daarop werd dit waswerk overgenomen door Hilleke,de zuster van de koster.Ziekenzorg:Een aantal punten in de statuten van 1516 wijstin de richting van een actieve rol hierin.In artikel 31 werd bepaald dat begijnen buiten het hof mochten slapenom zieke mensen bij te staan.Daar was dan wel toestemming van de meesteres voor nodig.Werd die toestemming niet gevraagd dan kon een boetevan twee oude groten gegeven worden.Onderwijs:Weer volgens de statuten van 1516 was het begijnen toegestaanaan kleine kinderen les te geven.Hiervoor moest wel toestemming gevraagd worden aan de meesteres.De inkomsten van deze schooltjes zouden toevallen aan de zustersdie in het begijnenconvent leefden (Statuten 1510).Ook later bleven de begijnen onderwijs geven aan kleine kinderen.Bidden voor overledenen:Vanaf het eind van de 15e eeuw gingen de begijnende overledenen ieder jaar gedenken.Deze verplichtingen werden in een jaargetijdenregister opgetekend.Van de 189 jaargetijden werden er 91 afgewerkt in de kapel van het hof,het andere deel in de nabijgelegen Grote kerk.Daar werd meestal de grafzerk bezocht, een kleed op zerk gelegd,kaarsen aangestoken en de boetpsalmen gezongen.In de 16e eeuw leverde deze dienstverlening 44 Rijnse gulden per jaar op.
Ook aan de buitenkant van het begijnhof wordt op dit moment gewerkt.