Een vreemd toeval wil dat de minister vandaag besluit
dat we alle kippen moeten ophokken en dat ik een
artikel lees in een Amerikaans tijdschrift (Discover) over virussen.

Die mooie rode beestjes (wat voor levensvorm is het eigenlijk,
het artikel besteed aan die vraag ook aandacht) zijn dat
virus dat vogelgriep veroorzaakt.
Dit zijn ze 29.500 keer uitvergroot.
Maar wist je dat het een Nederlander was die voor het eerst het bestaan
van virussen heeft aangetoond ?
Ik wist het niet maar het schijnt echt zo te zijn.
Het gaat om Martinus Beijerinck.
In 1935 werden die virussen voor het eerst ‘gezien’ middels
een electro microscope.
Het betrof het ‘tobacco mosaic virus’.
Zijn biografie:
BEIJERINCK, Martinus Willem (1851-1931)
Beijerinck, Martinus Willem , microbioloog
(Amsterdam 16-3- 1851 – Gorssel 1-1- 1931 ).
Zoon van Derk Beijerinck, ambtenaar bij de Staatsspoorwegen,
en Jeannette Henriette van Slogteren.
Beijerinck studeerde, na de HBS te Haarlem te hebben doorlopen (1864-1868),
aan de Polytechnische School te Delft,
waar hij in 1872 het diploma van technoloog behaalde.
Dank zij een op verzoekschrift bij de minister van Binnenlandse Zaken
verkregen vrijstelling van het toelatingsexamen voor de universiteit
kon hij biologie in Leiden studeren.
Na zijn kandidaatsexamen in 1873 werd hij achtereenvolgens
leraar aan de landbouwschool en in 1875 aan de HBS te Warffum.
Het doctoraal examen in 1875 te Leiden werd gevolgd
door een leraarschap aan de HBS in Utrecht
en het jaar daarop aan de Hoogere Landbouwschool te Wageningen.
Op 14 juni 1877 promoveerde Beijerinck te Leiden
op het proefschrift: Bijdrage tot de morphologie der plantegallen.
Promotor was prof. W.F.R. Suringar.
In 1884 vonden Beijerincks wetenschappelijke verdiensten
kennelijk reeds zodanige waardering dat hij tot lid
van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam werd benoemd.
Kort daarna, in 1885, werd hij door J.C. van Marken in dienst genomen
bij de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft,
waar voor hem een bacteriologisch laboratorium werd gesticht.
Hoewel Beijerincks belangstelling vanaf zijn HBS-tijd
gericht was op de botanie, was hij in de eerste plaats microbioloog.
Gedurende zijn jaren bij de Gist- en Spiritusfabriek
deed hij tal van belangrijke onderzoekingen.
Hij wist de wortelknolletjes van de Papilionaceexc3xabn te isoleren (1888),
verrichtte fundamentele onderzoekingen over de stofwisseling
van de lichtgevende bacterixc3xabn (1889,1901),
bestudeerde de melkzuurbacterixc3xabn (1889) en de butylalcoholgisting (1893),
een onderzoek dat leidde tot de kennis van een groep
anaxc3xabrobe sporenvormende bacterixc3xabn die van technisch belang is
voor de bereiding van butylalcohol en aceton.
Ook verkreeg hij in die tijd groenwieren en wierbestanddeel
uit de korstmossen (toen gonidixc3xabn genaamd) in reincultuur
en wist hij deze op die wijze voor het stofwisselingsonderzoek
toegankelijk te maken (1889-1890).
Bij onderzoekingen van verschillende gistsoorten
ontdekte hij ten slotte de Schizosaccharomyces octosporus (1894).
In 1895 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in biologie en bacteriologie
aan de Polytechnische School te Delft.
Hij aanvaardde dit ambt op 26 september met een oratie:
De biologische wetenschap en de bacteriologie.
Gedurende die hoogleraarsperiode zette Beijerinck zijn onderzoekingen voort
met zijn assistenten A.H. van Delden, G. van Iterson jr.,
H.C. Jacobsen, N.L. Sxc3xb6hngen en J. Smits.
Hierbij was het nieuwe laboratorium, dat hij opende op 28 september 1897
met de rede Het bacteriologisch laboratorium der Polytechnische School,
van groot nut voor het experimentele onderzoek en het onderwijs.
Verschillende ontdekkingen staan op zijn naam.
Zo ontdekte hij de Spirillum desulfuricans als oorzaak
van de sulfaatreductie (1896),
waarmee hij de voornaamste veroorzaker van de stank van
verontreinigde stadsgrachten had gevonden.
Uitvoerig bestudeerde hij de microben van de azijnzuurgisting (1898)
en de alcoholgisting;
hij opperde voor het eerst de mogelijkheid van een filtreerbaar levend principe,
een ‘contagium vivum fluxc3xafdum’ dat oorzaak van de mozaxc3xafekziekte
van de tabaksplant zou kunnen zijn (1900).
Voorts onderzocht hij de indigofermentatie (1899, 1900),
de erfelijke variatie en mutatie bij microben (1901-1917),
de ureumbacterixc3xabn (1902) en de stikstofbinding door bacterixc3xabn
buiten medewerking van de plant (1903-1908).
Beijerinck verbeterde bovendien verschillende bacteriologische onderzoekmethoden.
Opmerkelijk was zijn toepassing van chemische methoden
op de studie van de levensverrichtingen van bacterixc3xabn.
Hij ontwikkelde zijn methode van de ‘accumulatieve of electieve cultuur’ (1888):
wanneer men de ontwikkeling van speciale bacterixc3xabn sterk bevordert,
krijgt xc3xa9xc3xa9n soort of een groep van soorten de overhand boven alle andere.
Bij herhaling van het experiment wordt vaak een reincultuur
van die bepaalde organismen verkregen.
Met zijn auxanografische methode of hydrodiffusie in gelatine (1889)
betrok hij een nieuwe factor in het onderzoek: de concentratie van de voedingsstof.
Door toevoeging aan de voedingsbodem van specifieke voedingsstoffen
worden namelijk bepaalde bacteriegroepen ten gevolge
van de chemische omzetting van de toegevoegde verbindingen
herkenbaar tussen de andere.
Behalve al dit microbiologisch onderzoek deed Beijerinck ook
plantenfysiologische studies, waaronder kruisingsproeven (vanaf 1882).
Zijn laatste onderzoek was een theoretische studie van de samenhang
van de verschillende bloemstanden (1927).
Uit dit laatst genoemde jaartal blijkt wel dat Beijerinck
tot op hoge leeftijd in zijn onderzoek werkzaam bleef
– hij was in 1921 met emeritaat gegaan.
Een actief leven van vooral veelzijdig en doortastend onderzoek was het,
dat veel erkenning ontmoette:
bijv. de Van Leeuwenhoek-medaille (1905) en
de Deense Emil Christian Hansen-medaille,
maar ook hoge Nederlandse ridderorden.
Naast dat vruchtdragend eigen onderzoek was hij adviseur
van verschillende instellingen voor toepassing van
natuurwetenschappelijk onderzoek,
bij de vlasindustrie, de Nederlandse Heide Maatschappij
en de landbouwkundige proefstations.
Hij was een veeleisend maar zeer inspirerende persoonlijkheid,
over wie zijn leerling J. Smits opmerkte:
‘Zoo was ook de persoon zelf: meesleepend, overrompelend
door origineele invallen, belangwekkend tot in zijn laatste dagen,
in het leven vrijwel alleen staande op een hoog wetenschappelijk niveau;
onbenaderbaar niet zoozeer, omdat hij ons van zich verwijderd hield,
dan wel omdat wij hem onmogelijk konden bereiken.’ (Chemisch Weekblad 28 (1931) 97).